
Een toevluchtsoord bedreigd
Schokland was eeuwenlang een eiland in de Zuiderzee. Maar veel eerder maakte het gebied deel uit van het vasteland dat ter plaatse vooral uit veen bestond. Schokland bezit een kern van zand en keileem, die dateert uit de laatste IJstijd.In de daarop volgende periode werd dit zand- en keileemgebied bezocht en bewoond door een zwervende bevolking die er talrijke sporen naliet. De oudste tekenen van menselijke bewoning dateren van zo'n 10.000 jaar geleden. Op deze oudste kern ontwikkelde zich vervolgens gedurende duizenden jaren een veenbodem, met ongeveer in het midden een water dat in de Vroege Middeleeuwen 'Almere'werd genoemd. Het opdringende zeewater bedreigde het veen en brak het weer af. Op den duur ontstond zo uit het 'Almere’ de Zuiderzee. De bevolking op het veen poogde zich lange tijd te beschermen door het opwerpen van dijkjes en terpen, maar dit bleek op den duur vergeefs. Uiteindelijk herinnerden nog slechts enkele eilanden in de Zuiderzee aan het vroegere land.
Ook op Schokland trok men zich steeds meer terug en de honderden bewoners van het steeds kleiner wordende eiland raakten geconcentreerd op drie of vier terpen. Deze vormden de buurtjes Emmeloord (ook wel Noorderbuurt), Middelbuurt (of Molenbuurt, de grootste van de drie) en Zuidert (ook Zuiderbuurt of Oudekerk). Beide laatste worden samen ook wel Ens genoemd. In de drie buurtjes woonden voornamelijk veeboeren, vissers, schippers en enkele middenstanders. Het bestaansniveau van deze mensen was in het midden van de 19e eeuw tot onaanvaardbaar peil gedaald: er heersten armoede, ziekten en achterstand op vele terreinen. En voor hun veiligheid kon ook niet meer worden ingestaan. Zo verdronken heel wat bewoners bij de stormvloed van 1825.