Geschiedenis

Wat vooraf ging

Duitsland, Denemarken en Nederland werken al meer dan 25 jaar samen aan de bescherming van de Waddenzee. Het idee om de Waddenzee voor te dragen voor de Werelderfgoedlijst kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Al in 1991, tijdens de 6e Waddenzee conferentie in Esbjerg (Denemarken) spraken de drie landen uit dat ze naar wilden streven dat de Waddenzee de werelderfgoedstatus zou krijgen.
 
Om de haalbaarheid te toetsen lieten de landen een haalbaarheidsstudie (in 1991 en in 2000) uitvoeren door prof.dr. Burbridge (universiteit van Newcastle). Zijn belangrijkste conclusies waren: 1) de Waddenzee voldoet aan de voorwaarden die UNESCO stelt om de werelderfgoedstatus te krijgen, 2) nominatie van de Waddenzee in de huidige staat, met het huidige beschermingsregime en met de bestaande menselijke activiteiten is haalbaar en 3) de werelderfgoedstatus biedt kansen voor de regio.
 
Tijdens de 10e Waddenconferentie, die in november 2005 op Schiermonnikoog werd gehouden, hebben Duitsland en Nederland besloten te starten met de voorbereidingen van een gezamenlijke voordracht van de Waddenzee als Werelderfgoed. Denemarken besloot toen niet mee te starten, omdat men in dat land druk bezig was met de instelling van de Waddenzee als Nationaal Park. Zij hebben daar voorrang aan gegeven en kunnen op een later moment alsnog aansluiten. Het overgrote deel van de Waddenzee is nu aangewezen als Werelderfgoed, omdat de Duitse en Nederlandse delen van de Waddenzee samen 90% van de gehele Waddenzee beslaan.