De kracht ontleende de Stelling voor een belangrijk deel aan het water. Het hele voorterrein kon in twee dagen onder water worden gezet. Daarvoor diende een omvangrijk en ingenieus stelsel van dijken, dammen, duikers, sluizen en gemalen. In 1883 werd begonnen met de aanleg van inundatiewerken. Wilde een onderwaterzetting militair effectief zijn, dan moest deze aan bepaalde eisen voldoen. Zo moest het waterpeil bij voorkeur 50 cm zijn.
Deze hoogte was net voldoende om wegen, sloten en greppels aan het zicht te onttrekken, waardoor het voor een vijandelijk leger gevaarlijk werd om zich in dit gebied te begeven. Daarnaast maakte deze relatief lage waterstand het de aanvaller onmogelijk om van boten gebruik te maken. In de Stelling werd een verfijnd sluizensysteem aangelegd om de onderwaterzetting tot op de centimeter nauwkeurig te regelen. De inundaties waren het breedst aan de noord- en zuidzijde en als gevolg van de duinstrook het smalst in het westen.