
Aangezien de meeste forten dienst deden als accespost, was het hun functie vijandelijke eenheden tegen te houden, die zouden trachten, via begaanbare delen in de inundatie, de Stelling te doorbreken. Om die reden waren de meeste forten slechts bewapend met licht geschut met een kaliber van zes en zeven cm in gepantserde hefkoepels voor vuur over korte afstand.
Uitzonderingen waren forten en verdedigingswerken, die op strategisch belangrijke plaatsen lagen: Pampus, Diemerdam, Durgerdam, IJmuiden, Velsen en Spijkerboor. Daarom werden deze versterkt met zwaarder geschut (kaliber van 10 tot 24 cm), dat vaak in gepantserde draaikoepels werd geplaatst. Ook werden alle forten ten behoeve van de nabijverdediging met mitrailleurs bewapend. Om het schootsveld vrij te houden gold al sinds 1853 de ‘Kringenwet’ voor verdedigingswerken in het algemeen. Dit hield in dat er drie, denkbeeldige kringen waren rond elk fort, waarvoor sterke bouwbeperkingen golden. In de zgn. kleine kring (tot 300 meter) mocht alleen van hout worden gebouwd. In de middelste kring (300 tot 600 meter) mochten alleen de fundamenten van steen zijn, terwijl in de buitenste kring (600 tot 1000 meter) de minste beperkingen golden, al was ook daar het bouwen aan vergunningen gebonden.
Alles binnen de ‘verboden kringen’ moest zo nodig snel gesloopt kunnen worden. De Kringenwet is tot november 1963 van kracht gebleven en heeft daardoor op veel plaatsen het landschap open gehouden.