Geschiedenis

Beleggen in water
Aan het eind van de 16e eeuw dreigde de 'waterwolf' grote delen van het veengebied van Holland boven Het IJ te verzwelgen. Vooral hoge waterstanden en harde wind zorgden voor het wegslaan van veen. Ook het meer De Beemster werd zo steeds groter. Door groei van de bevolking nam in het begin van de 17e eeuw de behoefte aan goede landbouwgrond toe. Belegging in grond leek dus een ideale manier om kapitaal vast te leggen. Ook zochten rijke stedelingen ruimte om buitenhuizen te bouwen. Men achtte het inmiddels technisch haalbaar met molens een meer of plas leeg te malen. Dus namen enkele kooplieden het initiatief om het meer De Beemster droog te malen. Ze kregen toestemming van het Hof van Holland en konden zo al gauw hun belegging in water omzetten in die van stevige klei.

Land beneden NAP
In 1607 namen de werken een aanvang met onder meer de aanleg van een ringdijk, het graven van een ringvaart en de bouw van poldermolens. Jan Adriaenzn. Leeghwater (1575-1650) droeg hieraan zijn steentje bij. Hij hield op verzoek van de bedijkers toezicht op de bouw van de molens en het malen. In 1612 was het werk gereed: in totaal waren er 43 molens ingezet om het meer leeg te malen. Het gewonnen land ligt tegenwoordig ca. 3,5 meter onder zeeniveau (NAP).De bodem bestaat uit vruchtbare klei. Het succes van de Beemster werd, vooral in de eerste helft van de 17e eeuw, aanleiding voor de droogmaking van tientallen andere meren en plassen in heel laag Nederland en zelfs in het buitenland.